Q&A’s implementatie APV

Antwoorden op veelgestelde vragen over de implementatie van de APV-adviezen uit fase 1 en 2. De implementatie van APV is volop in ontwikkeling. Op deze pagina vindt u actuele Q&A’s over de implementatie van de APV-adviezen uit fase en 2 van het Programma Adaptieve Psychologische Vervolgopleidingen (APV). De informatie wordt regelmatig aangevuld en bijgewerkt op basis van nieuwe inzichten, ontwikkelingen en vragen uit het veld.

Aanvullende vragen of signalen kunnen worden gedeeld via info@progapv.nl.

Het programma APV brengt een overgangsperiode met zich mee waarin het aandeel opleidingsplaatsen voor kandidaten die niet via directe doorstroom instromen, stapsgewijs kleiner wordt. Dat is geen lichtvaardige ontwikkeling. In het huidige systeem wachten veel masterpsychologen jarenlang op een opleidingsplek, vaak in functies waarvoor zij nog niet volledig zijn toegerust en zonder reëel perspectief op instroom. Dat leidt tot langdurige onzekerheid en uitgestelde teleurstelling.

Binnen het programma APV wordt daarom ingezet op meer voorspelbaarheid en eerder duidelijkheid. Door te werken met directe doorstroom en selectieve instroomcriteria ontstaat eerder in het traject helderheid over wie kan instromen. Dat betekent dat niet iedereen de route naar de GZ-opleiding zal volgen. Tegelijkertijd weten mensen daardoor tijdiger waar zij aan toe zijn en kunnen zij bewust kiezen voor andere ontwikkel- of loopbaanpaden.

De inzet van APV is niet om een groep uit te sluiten, maar om het opleidingsstelsel eerlijker, transparanter en duurzamer te organiseren — voor professionals, werkgevers en cliënten.

De inzet van het programma APV is om de rol van de RSVP-opleider explicieter te beleggen en formeler te positioneren dan de huidige P-opleider. Waar de P-opleider tot nu toe vooral vanuit de regievoerende instelling opereert, is in het nieuwe model beoogd dat de RSVP-opleider een RSV-brede rol vervult. Daarbij wordt gedacht aan verantwoordelijkheid voor de samenhang in de leerroutes, het opleidingsklimaat binnen het samenwerkingsverband en de afstemming met praktijkopleiders en bestuurders van deelnemende instellingen.

Welke taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden daar precies bij horen, vraagt nog nadere uitwerking. Daarbij geldt dat deze rol alleen goed kan functioneren als mandaat, tijdsbesteding en positionering bestuurlijk helder worden vastgelegd, onder meer in het opleidingsbeleidsplan en de samenwerkingsovereenkomst van het RSV.

De bedoeling is om de regie op kwaliteit en continuïteit binnen regionale samenwerkingsverbanden duidelijker en structureler te organiseren, zonder individuele opleiders onnodig te belasten.

Het programma APV richt zich primair op de directe aansluiting tussen master en GZ-opleiding en op de opleidings(infra)structuur van de GZ-opleiding. Het programma APV doet daarbij geen uitspraken over de inrichting van opleidingen buiten de GZ-opleidingsroute.

Wel zijn er raakvlakken met bredere ontwikkelingen in het opleidingslandschap.

Voor wat betreft instroom geldt dat orthopedagogen op dit moment kunnen instromen in de GZ-opleiding, mits zij voldoen aan de geldende instroomeisen. Hoe deze instroom zich verhoudt tot de toekomstige inrichting van selectieve masters en directe doorstroom, is onderwerp van verdere uitwerking.

Ten aanzien van de financiering is op dit moment de status dat voor de OG-opleiding geen beschikbaarheidsbijdrage is toegekend. Wat dit op langere termijn betekent voor de organisatie en financiering van de opleiding, is nog niet uitgekristalliseerd.

Daarnaast is voorzien dat de FGzPt een rol krijgt in de toetsing van de kwaliteit van opleidingen tot OG in het kader van advisering over aanwijzing. Wat de verdere betekenis daarvan is voor de positionering van de opleiding binnen het bredere opleidingslandschap, moet in de praktijk nog blijken.

Voor zover nu voorzien, hebben de ontwikkelingen binnen APV geen directe inhoudelijke consequenties voor de OG-opleiding zelf. Indirect kunnen er wel raakvlakken ontstaan, bijvoorbeeld waar het gaat om regionale samenwerking en de positionering van verschillende opleidingsroutes.

De selectie voor de directe doorstroom wordt gefaseerd ingevoerd. In het beoogde model vindt selectie plaats op meerdere momenten in de opleidingsketen.

Daarbij wordt gedacht aan drie momenten:

  • selectie aan het einde van de bachelor – toelating tot de selectieve GZ-master
  • selectie bij afronding van de GZ-master – toewijzing van opleidingsplaatsen in de GZ-opleiding
  • een go/no-go moment tijdens de GZ-opleiding – zoals ook nu gebruikelijk is

Voor de eerste selectiestap wordt gewerkt aan een landelijk inhoudelijk kader voor de bachelor, zodat studenten met vergelijkbare kennis en vaardigheden kunnen deelnemen aan de selectieprocedure. De concrete inrichting van de selectie wordt door universiteiten vormgegeven, in afstemming met praktijkopleidingsinstellingen.

In de huidige pilots worden verschillende selectiemethoden toegepast. De komende periode wordt gewerkt aan verdere uniformering en onderbouwing van het selectiemodel, met aandacht voor kwaliteit, transparantie, diversiteit en kansengelijkheid.

Kort gezegd: de hoofdlijnen van het model zijn duidelijk, maar de precieze vormgeving van de selectie wordt de komende jaren verder ontwikkeld en geëvalueerd.

De directe instroom wordt gefaseerd ingevoerd. Het uitgangspunt is dat wordt gestart met minimaal circa 20% directe instroom, waarna het aandeel stapsgewijs groeit met ongeveer 10 procentpunt per jaar, tot maximaal circa 90% directe instroom. Structureel blijft ongeveer 10% ruimte bestaan voor zij-instroom.

Dat betekent dat de verandering in de praktijk geleidelijk verloopt en instellingen kunnen anticiperen op een oplopend aandeel direct instromende PIOG’s.

Wat verandert er inhoudelijk?

  • Direct instromende PIOG’s zullen gemiddeld minder werkervaring hebben voorafgaand aan de opleiding. Dat betekent dat in de beginfase van de opleiding naar verwachting meer nadruk komt te liggen op begeleiding en ondersteuning in de praktijk.
  • Tegelijkertijd wordt met de invoering van de selectieve GZ-master en de verplichte klinische stage beoogd dat kennis, vaardigheden en leerdoelen beter aansluiten op de GZ-opleiding.
  • Daarnaast biedt het gefaseerde groeipad meer voorspelbaarheid in instroom, waardoor regionale samenwerkingsverbanden en praktijkinstellingen beter kunnen anticiperen op hun opleidings- en formatieplanning.

Voor praktijkopleidingsinstellingen betekent dit dat tijdig moet worden nagedacht over de inrichting van de begeleiding, met name in de eerste fase van de opleiding. De gefaseerde invoering maakt het mogelijk om deze aanpassing stapsgewijs te organiseren.

De kern blijft dat de GZ-opleiding een duale opleiding is: leren en werken tegelijk. Het verschil is dat competenties nadrukkelijk binnen de opleiding worden opgebouwd, in plaats van vooraf in jaren praktijkervaring. De invoering vindt plaats in een transitieperiode waarin effecten worden gemonitord en waar nodig wordt bijgestuurd.

De implementatie van APV verandert de formele rolverdeling niet, maar heeft wel gevolgen voor de manier waarop deze rollen in de praktijk worden ingevuld.

De kernrollen blijven helder:

  • Werkbegeleider: dagelijkse observatie en begeleiding in de praktijk.
  • Supervisor: verdieping, reflectie en professionele duiding.
  • Praktijkopleider: integratie van informatie en besluitvorming over voortgang.

Wat verandert, is de context. Door directe instroom vanuit de master en het opleiden binnen regionale samenwerkingsverbanden werken opleidelingen vaker korter in teams en in meerdere instellingen. Er is daardoor minder “lange voorgeschiedenis” en minder impliciete kennis over functioneren.

Dat vraagt om:

  • Expliciete informatie-uitwisseling. Observaties en ontwikkelinformatie moeten systematisch worden gedeeld en gewogen.
  • Integratie over contexten heen. De praktijkopleider brengt informatie uit verschillende opleidingsplaatsen en begeleidingsvormen samen.
  • Eerder en duidelijker positioneren. Feedback, bijsturing en – indien nodig – voortgangsbesluiten vragen om tijdige gezamenlijke afstemming.

In die zin krijgt de praktijkopleider een meer integrerende en overstijgende rol binnen het samenwerkingsverband, zonder dat de inhoudelijke verantwoordelijkheden van werkbegeleider en supervisor veranderen.

De beweging is daarmee dat opleiden minder impliciet en meer gezamenlijk en transparant wordt georganiseerd.

Het vraagstuk rond EVC en verkorte opleidingsroutes valt niet binnen de directe scope van het programma APV. Tegelijkertijd raakt het wel aan de bredere ontwikkeling van het opleidingsstelsel en de inrichting van opleidingsroutes.

In de verdere ontwikkeling van het opleidingsstelsel wordt niet langer gewerkt met de term EVC (Erkenning van Verworven Competenties). Deze term heeft in de praktijk een brede en niet eenduidige betekenis gekregen en is bovendien in sommige sectoren beladen geraakt. Om die reden wordt gesproken over een verkorte variant (VV) van de opleiding.

Op dit moment wordt, in afstemming met VWS en betrokken partijen – waaronder opleidingsinstellingen, hoofdopleiders en opleidingsinstituten – verkend onder welke voorwaarden een beperkte en zorgvuldig afgebakende toepassing van deze verkorte variant mogelijk is.

Daarbij is het uitgangspunt dat de kwaliteit en integraliteit van de opleiding geborgd blijven. Verkorting komt alleen in beeld waar dit inhoudelijk verantwoord is en past binnen de uitgangspunten van het nieuwe opleidingsstelsel.

Of en op welke wijze de verkorte variant verder wordt uitgewerkt, is afhankelijk van de verdere besluitvorming en afstemming tussen VWS en betrokken partijen.

De invoering van directe doorstroom vanuit de selectieve GZ-master naar de GZ-opleiding vindt gefaseerd plaats, in een meerjarige overgangsperiode.

Op dit moment wordt uitgegaan van een start van directe doorstroom rond 2028, met een aandeel van minimaal ongeveer 20% van de opleidingsplaatsen. Dit aandeel zal vervolgens stapsgewijs toenemen met circa 10 procentpunt per jaar, met als richtinggevend eindbeeld dat uiteindelijk ongeveer 90% van de instroom via de directe route verloopt.

Dat betekent dat de overgangsperiode meerdere jaren beslaat en ruimte biedt aan het veld om zich hierop aan te passen, zowel in de inrichting van opleidingen als in de personeels- en opleidingsplanning.

Gedurende deze overgangsperiode – en ook structureel daarna – blijft er ruimte voor zij-instroom. Naar verwachting zal dit maximaal circa 10% van de opleidingsplaatsen betreffen. Deze ruimte is bedoeld voor kandidaten die niet via de directe route instromen, maar op een later moment, bijvoorbeeld met relevante werkervaring, alsnog willen instromen in de opleiding.

De precieze invulling van deze zij-instroomroute wordt in de komende periode verder uitgewerkt, met aandacht voor kwaliteit, transparantie en een zorgvuldige positionering binnen het nieuwe opleidingsstelsel.

Het programma APV richt zich primair op de inrichting van de opleidingsroute naar de GZ-opleiding en doet geen directe uitspraken over het al dan niet voortbestaan van andere masteropleidingen.

Tegelijkertijd ontstaat binnen het nieuwe opleidingsmodel een duidelijker positionering van de verschillende opleidingsroutes. De selectieve GZ-master is daarbij beoogd als de route die opleidt tot directe doorstroom naar de GZ-opleiding. Voor andere masteropleidingen geldt deze directe aansluiting niet.

Dat betekent dat niet alle masters dezelfde positie behouden in relatie tot de BIG-vervolgopleidingen. Dit brengt met zich mee dat voor studenten eerder in het traject duidelijk wordt welke opleidingen perspectief bieden op doorstroom naar de GZ-opleiding en welke niet.

Voor de langere termijn ligt hier ook een vraag voor universiteiten en het werkveld gezamenlijk: welke masteropleidingen passen bij het werken in de zorg zonder BIG-registratie, en hoe verhouden deze zich tot het bredere opleidingslandschap?

Dat kan betekenen dat bestaande masters in aangepaste vorm blijven bestaan, maar ook dat universiteiten kiezen voor een expliciet profiel van opleidingen die voorbereiden op een rol in de zorg zonder directe toegang tot de GZ-opleiding.

De verdere ontwikkeling van deze opleidingsprofielen ligt primair bij universiteiten, in afstemming met het werkveld. Het programma APV richt zich daarbij op helderheid in de opleidingsketen en het voorkomen van onduidelijke of niet-realistische verwachtingen over doorstroommogelijkheden.

In het kader van de adviezen uit APV-2 hebben verschillende partijen randvoorwaarden benoemd die van belang zijn voor een goede implementatie van het nieuwe opleidingsmodel. Deze randvoorwaarden worden in het programma onderkend en waar mogelijk meegenomen in de verdere uitwerking.

Een belangrijk punt betreft de omvang van de opleidingscapaciteit. Op dit moment wordt uitgekeken naar de besluitvorming van het ministerie van VWS over de meest recente ramingen van het Capaciteitsorgaan. Deze ramingen liggen substantieel hoger dan in voorgaande jaren. Indien deze worden overgenomen, betekent dit een aanzienlijke uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen (in de orde van grootte van circa 25%). Dit kan bijdragen aan het verkleinen van de spanning tussen opleidingsvraag en -aanbod. Uitbreiding van opleidingscapaciteit is van belang voor de arbeidsmarkt, maar verandert op zichzelf niet de inrichting van de opleidingsketen en het moment van selectie.

Parallel hieraan wordt vanuit het veld actief het gesprek gevoerd over het belang van voldoende opleidingscapaciteit. Verschillende partijen trekken hierin gezamenlijk op richting VWS om dit punt onder de aandacht te brengen.

Daarnaast wordt door het ministerie en andere betrokken partijen het belang benadrukt van een heldere taak- en functiedifferentiatie binnen het zorgveld. Dit vraagstuk raakt aan de positionering van verschillende beroepsgroepen en de inrichting van het werkveld waarin professionals na hun opleiding functioneren. Hoewel dit geen onderdeel is van het programma APV zelf, wordt het wel als een belangrijke randvoorwaarde gezien voor een duurzaam en goed functionerend opleidingsstelsel.

De implementatie van APV vindt plaats in samenhang met deze bredere ontwikkelingen. Waar relevant wordt hierop aangesloten, zonder dat de voortgang van het opleidingsprogramma daarvan afhankelijk wordt gemaakt.

In het huidige stelsel is het gebruikelijk dat masterpsychologen eerst werkervaring opdoen voordat zij instromen in de GZ-opleiding. Die ervaring wordt vaak gezien als een belangrijke voorbereiding op de opleiding.

Tegelijkertijd is deze praktijk niet zo vanzelfsprekend als zij inmiddels lijkt. Met de introductie van het beroep van gezondheidszorgpsycholoog in het kader van de Wet BIG (eind jaren ’90) is de opleidingsstructuur gewijzigd en is een duidelijk onderscheid ontstaan tussen de universitaire masteropleiding en de postmaster GZ-opleiding. Daarmee werd een doorgaande leerlijn feitelijk opgeknipt.

In combinatie met een beperkt aantal opleidingsplaatsen is vervolgens een langere tussenfase ontstaan tussen het afronden van de master en de start van de GZ-opleiding. Die tussenfase is daarmee geen expliciet ontworpen onderdeel van het opleidingsstelsel, maar het resultaat van hoe het stelsel zich in de praktijk heeft ontwikkeld.

Deze fase is in de praktijk steeds meer als “normaal” gaan gelden. Tegelijkertijd werken veel masterpsychologen in deze periode in functies zonder duidelijke opleidingsstructuur, met wisselende kwaliteit van begeleiding en zonder zekerheid over doorstroom. Werkervaring draagt daarmee niet automatisch bij aan gerichte professionele ontwikkeling.

Het programma APV kiest er daarom voor om de ontwikkeling van competenties nadrukkelijk binnen de opleiding te positioneren. Dat betekent dat aankomende GZ-psychologen eerder instromen, maar hun ontwikkeling plaatsvindt in een gestructureerde leeromgeving met duidelijke doelen, begeleiding en toetsing.

Dit vraagt om een verschuiving in denken: niet eerst “voldoende ervaring opdoen” en daarna opleiden, maar opleiden en werken vanaf het begin integraal vormgeven.

Dat betekent niet dat werkervaring geen waarde heeft. Integendeel: ervaring blijft belangrijk, maar krijgt een andere plek in het traject. In plaats van een vaak ongestructureerde voorfase wordt deze geïntegreerd in de opleiding zelf, waar deze gerichter kan worden begeleid en beoordeeld.

De kern van de keuze is daarmee niet dat ervaring minder belangrijk wordt, maar dat deze doelgerichter, transparanter en onder verantwoordelijkheid van de opleiding wordt opgebouwd. De vraag is dus niet óf ervaring belangrijk is, maar of we die ervaring overlaten aan toeval — of onderdeel maken van de opleiding.

De ontwikkeling van de nieuwe toetsstructuur bevindt zich in verschillende fasen per opleiding.

Voor de opleiding tot GZ-psycholoog zijn het opleidingsplan en het bijbehorende toetsplan ontwikkeld. De streefdatum voor implementatie van de nieuwe toetsstructuur is september 2026.

Voor de opleiding tot klinisch psycholoog (KP) zijn het opleidingsplan en het toetsplan eveneens ontwikkeld. De planning voor implementatie wordt momenteel nader bepaald.

Voor de opleiding tot psychotherapeut vindt op dit moment afstemming plaats met de betrokken beroepsvereniging over de verdere uitwerking van het opleidings- en toetsplan. De verdere planning wordt langs die route bepaald.

De invoering van de nieuwe toetsstructuur vindt daarmee gefaseerd plaats, waarbij per opleiding wordt aangesloten bij de fase van ontwikkeling en besluitvorming.

De implementatiecoalitie APV bestaat uit vertegenwoordigers van betrokken veldpartijen binnen het opleidingslandschap. De implementatiecoalitie staat onder voorzitterschap van een onafhankelijke voorzitter en wordt ondersteund door de secretaris en adjunct-secretaris van de Opleidingsraad.

De samenstelling is bewust breed, zodat verschillende perspectieven uit het veld vertegenwoordigd zijn en er in samenhang naar de implementatie kan worden gekeken. Daarmee draagt de coalitie bij aan afstemming tussen partijen die ieder vanuit hun eigen rol betrokken zijn bij de uitvoering van de APV-adviezen.

De leden nemen deel namens hun organisatie of achterban en brengen actief hun perspectief in. Van leden wordt verwacht dat zij signalen en ontwikkelingen vanuit hun achterban inbrengen en andersom hun achterban informeren over de voortgang van de implementatie. Op die manier vormt de coalitie een plek waar verschillende perspectieven samenkomen en met elkaar worden verbonden.

Samenstelling implementatiecoalitie APV:

Naam

Vertegenwoordigt

Agneta Fischer

Onafhankelijke voorzitter

Marcel van Aken

vLOGO

Nathan Bachrach

HCO-GZ

Jos Egger

HCO KP_PT in samenwerking met KNP

Evelyn Kroesbergen

DSW

Rudolf Ponds

Beroepsverenigingen (NIP, NVO, NVP)

Ingrid Wigard

LPO

Wencke de Wildt

De Nederlandse ggz

Gabe van der Zee

Directeurenoverleg (toehoorder)

Valerie Hoogendoorn

Secretaris

Merel Visser

Adjunct-secretaris

De implementatiecoalitie APV fungeert als een overleg- en afstemmingsplatform waarin de voortgang van de implementatie wordt gevolgd en besproken.

De implementatiecoalitie komt periodiek bijeen. Tijdens deze bijeenkomsten worden ontwikkelingen gedeeld, knelpunten besproken en wordt gewerkt aan samenhang tussen de verschillende onderdelen van de implementatie.

Voor de inhoudelijke uitwerking van specifieke thema’s wordt gewerkt met subcommissies. In deze subcommissies werken leden van de implementatiecoalitie, samen met andere relevante partijen, concrete vraagstukken verder uit.

De subcommissies bereiden voorstellen en uitwerkingen voor in afstemming met de partijen die voor het onderwerp verantwoordelijk zijn. Zij hebben geen zelfstandig besluitvormend mandaat. Besluitvorming vindt plaats bij de daarvoor aangewezen gremia.

De resultaten van de subcommissies worden teruggekoppeld in de implementatiecoalitie, waar deze op hoofdlijnen worden besproken. Zo wordt geborgd dat er samenhang blijft tussen de verschillende trajecten en dat partijen goed op elkaar afgestemd blijven.

De implementatiecoalitie bewaakt daarmee de voortgang en samenhang van de implementatie, zonder zelf als besluitvormend orgaan op te treden. De inhoudelijke uitwerking en besluitvorming blijven belegd bij de betrokken partijen en gremia.

Meer vragen over fase 1 en 2?

Bekijk dan de pagina: Q&A Fase 1 en 2 – Programma APV